De beiaard bestaat uit een reeks harmonisch samenklinkende klokken, met minstens twee chromatische octaven. Hij wordt doorgaans in een toren opgehangen en kan middels een klavier bespeeld worden. Moderne beiaarden hebben een klavier van 4 octaven en het mechanisme werd geperfectioneerd zodat het bespelen minder fysieke inspanning vraagt en er ook meer virtuoze melodieën mogelijk worden. Zij vormen samen het typische geluid van het instrument. Ook het gieten van de klokken heeft in de loop der eeuwen verbeteringen gekend die de klank voor het moderne gehoor aangenaam en harmonisch maken. Fundamenteel is de techniek van klokkengieten echter onveranderd.
Een beiaard is ongetwijfeld het grootste muziekinstrument ter wereld.
De beiaardier bespeelt het klavier via één of meerdere rijen klokken.
Om de titel beiaard te mogen dragen, moet deze over minstens 23 klokken beschikken.
Dat is zo vastgelegd door de prestigieuze World Carillon Federation. Carillon is immers ook
in het Nederlands een synoniem voor beiaard.
Een beiaardklavier bestaat uit een manuaal of stokkenklavier en een voetklavier of pedaal.
Elke toets van het manuaal of het pedaal is via een metalen draad verbonden met een klepel.
Als een toets volledig ingedrukt wordt, raakt de klepel de binnenkant van de kok waardoor deze tot klinken gebracht worden.
Men kan slechts één pedaal per voet indrukken, bij het manuaal kan men hetzij één toets per hand, hetzij twee toetsen
en zeer uitzonderlijk zelfs drie toetsen gelijktijdig aanslaan. Belangrijk te weten is dat men voor het handenspel meestal
met gesloten handen speelt, waarbij de toets ingedrukt wordt door een draaiende polsbeweging.
De snelheid en de wijze waarop de toets wordt bewogen, bepaalt de dynamiek en de muzikaliteit.
Dankzij de vele technische verbeteringen die de beiaard - en het beiaardklavier in het bijzonder - heeft ondergaan
onder invloed van Jef Denyn (Mechelen) en later van André Lehr (Nederland) en dankzij de virtuoze speelwijze van vele
vooraanstaande beiaardiers, is het klokkenspel uitgegroeid tot een volwaardig muziekinstrument. De Vlaamse componist
Gaston Feremans gebruikte de beiaard zelfs als concertinstrument in zijn oratorium
"Het Bronzen Hart".
Klokjes of bellen behoren ongetwijfeld tot de oudste muziekinstrumenten ter wereld.
Lang voor onze jaartelling vinden we ze terug in het Midden-Oosten en later ook in China als halsbel bij
dieren om ze te beschermen tegen boze geesten.
In het oude Griekenland en Rome werden klokjes gebruikt om begin en einde van de werktijden voor de slaven aan
te geven, of om de opening van thermen of de start van spelen aan te kondigen.
In de middeleeuwen kregen klokken ook een religieuze functie: de christenen riepen de gelovigen samen door middel
van een klok. Eén van de belangrijkste functies was de uurslag. Om de omwonenden opmerkzaam te maken op de nakende uurslag,
ontstond de voorslag: drie of vier kokjes die een korte melodische inleiding gaven op de uurslag. Zo bezat Mechelen reeds in
1372 een voorslag, ook wekkering of rammel genoemd.
Door wedijver tussen steden werd dit aantal klokjes steeds meer uitgebreid. De klokjes moesten harmonisch samen
klinken, daarom was het heel belangrijk goed gestemde en zuiver klinkende klokken te gieten. Vooral Mechelen nam
hier het voortouw: eind 15de en begin 16de eeuw waren vooral de families Waghevens en Van den Gheyn actief als
klokkengieter met muzikaal hoogstaande producten.
De voorslag kreeg meer en meer klokjes en een hand- of stokkenklavier werd noodzakelijk. Zo kreeg de voorslag van
de Mechelse Sint-Romboutstoren een handklavier in 1556. Later werd er ook een voetklavier of pedaal aan toegevoegd.
Een beiaard is een reeks harmonisch samenklinkende klokken, minstens twee chromatische octaven omvattend, doorgaans
in een toren opgehangen, waarop bij middel van een klavier kan gemusiceerd worden.
De oudste, en nog altijd meest verspreide functie van klokken is de signaalfunctie,
met ondermeer het aangeven van het uur door het juiste aantal slagen.
Doch algauw werd de noodzaak gevoeld om de uurslagen van de uurklok aan te kondigen door een
zogenaamde voorslag. Het woord betekent letterlijk "Wat voor de uurslag komt". Zo werden de inwoners
attent gemaakt op de naderende uurslag. Het leverde een uniek staaltje van technisch vernuft dat het
mechanisme van het torenuurwerk koppelde aan de klokken in de toren, en aldus werd het automatisch klokkenspel geboren.
Vanaf de eerste helft van de 14de eeuw werden de eerste automatische klokkenspellen ontwikkeld:
een trommel met staafjes tilt tijdens het ronddraaien een hefboom op. Deze is via een metalen draad
verboden met een hamer,
die wordt opgelicht en nadien terugvalt op de klok. Afhankelijk van het aantal klokjes was in
beperkte mate melodisch spel mogelijk. Het eerste gekende voorbeeld van een dergelijke melodie
op torenklokken komt uit de Parkabdij te Heverlee (Leuven), waar de voorslag in 1479 de Gregoriaanse melodie "Inviolata,
integra et casta es Maria" liet horen.
Daarnaast bestond sedert lang de techniek van het "beieren", waarbij de verschillende klokken
van het automatisch speelwerk door middel van touwen en klepels (aan de binnenkant van de klok)
met de hand werden bespeeld.
Tenslotte kende men al vanaf de 10de eeuw ook het zogenaamde cimbaalspel,
waarbij kleine klokjes (of cimbalen) muzikaal gebruikt werden, en dit vooral in kloosters, kerken en scholen.
Het betreft een bescheiden muziekinstrument dat een geheel onafhankelijke evolutie kende,
met een hoogtepunt rond de 13de - 14de eeuw.
In deze drie gebruiken schuilt het ontstaan van de beiaard, waarbij de klokken middels
een stokkenklavier manueel tot klinken worden gebracht. De oudst bewaarde duidelijke vermelding van een heus
beiaardklavier is terug te vinden
in de stadsrekeningen van Oudenaarde in 1510.
In de loop van de 16de eeuw kende het stokkenklavier een snelle verspreiding in Vlaanderen
en Nederland - veel steden werden de trotse eigenaar van één of meer beiaarden. Jammer genoeg was de
gehele klokkenklank nog niet optimaal: de techniek om zuiver gestemde klokken te ontwikkelen liet nog meer
dan een eeuw op zich wachten. Pas in de 17de eeuw bereikte de klokkengietkunst een nieuwe hoogtepunt met
de gebroeders François en Pieter Hemony. De Hemony's waren afkomstig uit Lotharingen, maar belandden
rond 1640 in Nederland. In tegenstelling tot de vroegere klokkengieters, die klokken trachtten te stemmen
door de binnenwand uit te hakken, plaatsten ze de klok op een draaibank en vijlden de binnenwand op
verschillende hoogten uit. Elke boventoon werd gecontroleerd aan de hand van het meetrillen van klankstaven.